Het gaat allemaal om Cornelis Vervenne, kapitein van het 'door toedoen der neegers in de lugt gesprongen schip de Nephtunus'. Op het schip zou een slavenopstand hebben plaatsgevonden, waarbij de kruitkamer zou zijn ontploft. Er waren veel slachtoffers te betreuren. Het eigenaardige van het verhaal was dat Vervenne niet aan boord was, maar zich op dat moment aan wal bevond.
Dat was bij de andere kapitein in het verkeerde keelgat geschoten. Een kapitein hoort op zijn schip. Johan Willem Sextroh, beroemd omdat hij in 1783 als eerste kapitein een (voor die tijd) razendsnelle Engelse pakketboot wist te kapen, had zich daarom in sterke bewoordingen uitgelaten over zijn collega. Zo sterk zelfs, dat Vervenne er werkloos van was geraakt. Daarom wilde Vervenne dat Sextroh zijn 'lasterlijke en eerroovende' woorden terug zou nemen. Hij eiste een verklaring van goed gedrag waarin 'hij geïnsinueerde hem insinuant hout en erkent voor een braaff eerlijk man, zoo ja dan neen'.
'In zijn middel van bestaan onherstelbaar geruijneerd'
Sextroh was niet onder de indruk van de beschuldiging van de 'zoo[wel] honende als onwaaragtige' uitlatingen. Hij reageerde simpelweg niet. Daarom ging notaris Cremer vier dagen later met een nieuwe insinuatie op pad. Hierop reageerde Sextroh wel, maar waarschijnlijk niet zoals Vervenne had gehoopt. Sextroh ontkende dat alles: 'ik heb niets met de man te doen'. Later voegde hij daar nog wel – tot geruststelling van Vervenne – aan toe dat 'hij tot zijnen lasten geene wesentlijke beswaaren van oneerlijkheden wist'. Toch nog iets van eerherstel voor Vervenne?

