Op 11 september 1651 werd na het overlijden van Johannes van der Rosieren door notaris Jacob Jansz Westfrisius, niet ongebruikelijk, een boedelinventaris opgemaakt. Onder het kopje 'Vrouwen klederen'van zijn weduwe Geertruijdt van Otteren werd onder meer een Brabandze huijck mette hoet genoemd. In inventarislijsten vinden we vaker huiken tussen de kledingstukken. Maar hoe zag zo'n huik eruit en hoe werd het gedragen?
Een huik was een mouwloze van het hoofd afhangende mantel en werd voornamelijk door vrouwen gedragen tussen 1520 en 1640. De populariteit van dit kledingstuk wordt in de literatuur wel in verband gebracht met bescherming tegen de toenemende kou in de Kleine IJstijd (ca. 1430 tot 1850). Gemiddeld lag de temperatuur in ons land toen 1 tot 2 graden lager dan nu, met een dieptepunt in het laatste kwart van de zestiende eeuw.
Toch was de huik niet ontworpen tegen de kou: het kledingstuk kwam juist uit warmere streken. De huik (van het Arabische haik) was een traditioneel Noord-Afrikaans kledingstuk dat de vrouw volledig bedekte. Deze dracht zou tijdens de kruistochten uit Marokko en Andalusiƫ mee naar onze contreien zijn gekomen.
Wandelende en zittende elegante paren, Jan van de Velde (II), 1603 - 1641 | Bron
Behalve door de adel werd in de Nederlandstalige gebieden in Belgiƫ en Nederland de huik sinds de 14 e eeuw gedragen: enkellang en meestal zwart. Op prenten zijn ze vaak te zien en ook uit in Amsterdam opgestelde testamenten en boedelinventarissen uit de eerste helft van de 17 e eeuw blijkt dat veel burgerdames ƩƩn of meer huiken in hun bezit hadden.
Op prenten zien we dat ze zeker niet alleen tijdens kerkbezoek, een rouwperiode, in de winter of met regen gedragen werden. Van de loshangende huiken varieerde vooral het gedeelte dat het hoofd bedekte. Daarover geven de testamenten en boedels ons geen informatie, maar vaak staat er wel iets over de stof waarvan ze waren gemaakt. Nieuwe huiken zullen vooral door de welgestelden zijn aangeschaft, maar door legaten en doorgeven zullen zij na verloop van tijd ook tot het gewone volk zijn doorgedrongen.
Wandelend boerenpaar, Adriaen van Ostade, 1646 - 1649 | Bron
Burgermannen kleedden zich bij begrafenissen in zwarte rouwmantels met hoed. Ook die keren regelmatig terug in de boedelinventarissen.

Paar in Hollandse kleding, eerste kwart 17e eeuw, 1618 | Bron
In de vijftiende en zestiende eeuw heeft de huik overigens ook minder goede tijden gekend. Uit praktische overwegingen - een persoon was niet meer te identificeren - werd al in 1477 het eerste verbod tegen gezichtsbedekkende kleding uitgevaardigd binnen de stad. Een huik kon daarom zelfs in beslag worden genomen. Lees hier meer over het 'hoofddekselverbod' in Amsterdam.
'Brabandze huijck mette hoet'
Terug naar de boedelinventaris van Johannes van der Rosieren, met de kleding van zijn weduwe Geertruijdt. Wat deed een Brabantse huik met hoed nu in een Amsterdamse boedel? Was dit kledingsstuk wel te koop in Amsterdam? Het blijkt dat vrouwen konden kiezen uit twee modellen, het zware Hollandse model of de wat modieuzere Brabantse versie, die bestond uit een geplisseerde sluier uit lichte stof en een hoedje met de pluim uit fluweel. De laatste werd alom gedragen, ook in Amsterdam. Bij het opmaken van de boedel was het met de mode wel gedaan, dus de jonge generatie dames zal nog weinig belangstelling hebben gehad voor de aankoop en het dragen van huiken.
Rond 1640 verdween de huik uit het straatbeeld in de stad. Tot ca 1900 werd de huik nog gedragen als rouwkleding in West-Brabant, op Wieringen en op Texel.
Met dank aan Marieke de Winkel voor correcties.

