Zo bezat Sander de plantages Anna Leonora en Sans Souci in Berbice, in het huidige Guyana, "met alle desselves bepotingen en beplantingen, gebouwen, opstallen, Slaven, vee en verder al het geene daaran ap- en dependent is". Ook in de slavenhandel had hij belangen, hij was mede-eigenaar van 'het schip de Sara Henrietta gevoerd bij Cap(itein) Servaas Rudoplhus, zijnde een Slaafhaalder' en diverse andere schepen die naar Berbice en Suriname voeren, waaronder het 'Schip de Helena (..) gedestineerd naar de kust van Africa en van daarnaar de Berbice'.
Daarnaast had hij vele duizenden guldens aan obligaties ten laste van verschillende Europese vorstenhuizen, Amsterdamse koopmannen en ook kolonisten in de Guyana's en Batavia. Zo heeft hij 5000 gulden aan obligaties ten lasten van Petrus Cornelis van Stuyvestant (plantage Hamburg in Suriname), hetzelfde bedrag ten latste van J.C. van den Heuvel (plantage Den Heuvel in Demerary), en ook 5000 gulden bij Samuel Cohen Nassy in Suriname (plantage de Nieuwe Maan).
Als oud VOC-bestuurder had hij diverse bezittingen in en om Batavia, zoals de helft van een 'Arackbranderije' en een stuk land op twee uur van Batavia. Bovendien had Sander vele duizenden guldens aan leningen en obligaties uitstaan bij bewoners van Oost-Indie. En ook in Batavia was er sprake van slavernij. Zo had Sander een lening uitstaan bij Hermanus Theodorus Ter Kamp, opperchirurgijn en destileerder in Batavia, met als onderpand een woonhuis, 'twee mans-slaven' en een 'slavinne'. In de boedelinventaris wordt één als slaaf verhandelde jongen met naam genoemd: 'September van Boegis, die volgens vendu-extract (veiling=veiling -red.) zuiver gerendeert heeft is ontvangen 47.21-'.

